PENNANT ROSELLA

  Home / Vogels / Terug

 

  • Latijnse naam:         Platycercus elegans 
  • Nederlandse naam: Pennant rosella 
  • Engelse naam:         Crimson rosella 
  • Duitse naam:           Pennantsittich
  • Franse naam:          Perruche de pennant 
  • Australisch:              Crimson rosella                    

 

 

  • Ondersoorten:

De Pennant-, Adelaïde- en Strogele rosella zijn nauw aan elkaar verwant en worden in de wetenschappelijke literatuur nog eens onder één noemer behandeld.

Als kwekers houden we deze drie soorten gescheiden en derhalve worden ze ook afzonderlijk behandeld.

We kennen bij de Pennant rosella drie ondersoorten:

 

 

 

 

 

Platycercus elegans elegans: komen eigenlijk niet noordelijker voor dan Maryborough in Queensland langs de oost- en zuidkust tot bijna aan Adelaide.

Platycercus elegans nigrescens: is een ondersoort die veel noordelijker voorkomt in het overgangsgebied van tropisch- naar subtropisch Australië in de staat Queensland.

Platycercus elegans melanoptera: is een ondersoort die zich geografisch heeft afgescheiden en uitsluitend voorkomt op Kangeroo Island ten zuidwesten van Adelaide in South Australia.

 

  • Beschrijving:

De nominaatsvorm, Platycercus elegans elegans, is een overwegend dieprode vogel, die opvalt door zijn sterk blauwe accenten. Buik, borst en kop zijn karmijnrood. De bovendelen, inclusief de tertiaire vleugeldekveren, worden gevormd door een zwarte veer met een dieprode zoom. De wangvlekken zijn violetblauw en de secundaire vleugeldekveren zijn zwart. De vleugelboeg alsmede de primaire vleugeldekveren zijn blauw. De vogels bezitten zwarte vleugelslagpennen en de middelste staartpennen zijn diep donkerblauw.

De poppen hebben hetzelfde kleurpatroon als de mannen. Poppen zijn doorgaans kleiner dan mannen, hebben een fijner kopje en een minder geprononceerde snavel. Ook komt het voor dat de omzoming van de primaire vleugeldekveren een wat groenere kleur laten zien.

De noordelijk soort Platycercus elegans nigrescens is, in vergelijking met de nominaatsvorm, wat kleiner en het meest in het oog springende verschil is de rodere indruk die de vogel maakt op de bovendelen. Dit wordt veroorzaakt door de bredere rode omzoming van de zwarte veertjes. Ook het rood is donkerder.

De kleur van de jonge vogels kunnen erg verschillen. Bij de noordelijke ondersoort Platycercus elegans nigrescens zien we de jongen uitvliegen met een vederkleed dat gelijkt op dat van de ouders. Hooguit mag het dan wat matter van kleur zijn.

Bij de nominaatsvorm zien we grote verschillen. De jongen komen niet rood maar deels olijfgroen uit het nest. Dit kan sterk verschillen. Zo zijn er jongen waarbij de rode veervelden geheel olijfgroen zijn, meestal dan wel met uitzondering van de bovenkant van de kop. Maar ook komt het voor dat jongen vlekkerig zijn en grote delen rode bevedering laten zien. Het ziet er uit als een soort bontpatroon. Overigens zijn wel alle blauwe delen reeds violetblauw. In het wild lijkt dit per regio in mindere of meerdere mate voor te komen. Het vermoeden bestaat dat dit met de voeding te maken heeft.

In avicultuur zien we deze verschillen ook en merkwaardig genoeg worden deze onderlinge verschillen ook wel in één nest waargenomen. Aanvankelijk werd gedacht dat dit te maken had met het kruisen tussen de nominaatsvorm en de noordelijke soort. Maar ook heerste in avicultuur al lang het vermoeden dat dit met de voeding te maken heeft.

In Duitsland zijn proeven genomen met jongen uit één nest door de helft enkele voedingen te onthouden en de andere helft bij te voeren. Dit is bij meerdere stellen gedurende twee jaar gedaan. Steeds kwamen de minder gevoerde jongen roder uit her nest en de beter gevoerde jongen kwamen groener uit het nest.

Gaandeweg naar de volwassen rui, krijgen de jonge vogels steeds wat meer rode veren om tijdens de volwassen rui, op leeftijd van ca. 16 maanden, geheel op kleur te komen.

De Pennant rosella meet zo'n 36 cm.

  • Biotoop en levenswijze:

De Pennant houdt zich graag op in de vochtiger gebieden. Het zijn beslist geen bewoners van woestijn- of savannegebieden. Veel eerder zult u ze aantreffen in de half- tot geheel geboste gebieden. Uitzonderingen hierop komen ook voor. Het zijn liefhebbers van parken met afwisselende beplanting maar ook in de buitenwijken van de grotere plaatsen zijn ze te vinden.

Ze zijn zelfs waargenomen in de dichte zeer vochtige wouden. Hun voorkeur gaat uit naar eucalyptusbossen. De gebieden die overlopen naar meer open landschap worden bewoond door de prachtrosella en zo leven deze twee soorten soms naast elkaar.

Het zijn ook geen vogels die ver trekken, het zijn standvogels die na het broedseizoen in kleine familiegroepjes worden gezien. Later zullen ze zich tot grotere groepen formeren om voor het volgend broedseizoen weer paarsgewijs zich voor te bereiden op het zorgen voor nageslacht.

De Pennant  rosella voedt zich met gras- en onkruidzaden, welke zij eenvoudig weg opnemen van de grond. Fruit in allerlei soorten worden geconsumeerd en zo kunnen ze redelijk wat schade aanbrengen aan de boomgaarden. In de tuinen en parken doen zij zich tegoed aan de bessen van meidoorn, cotoneaster (dwergmispel) en vuurdoorn, maar ook inheemse struiken in het wild nemen zij graag bessen op. In de hoge bomen, waar zij graag verblijven, vinden ze altijd wel bloemen waar zij zich voeden met de nectar en de pollen. Ook vinden ze tussen de boomtoppen wel insecten en larven die ze in behoorlijke hoeveelheden opnemen. Kroponderzoek heeft uitgewezen dat ze ook wel grit en houtskool opnemen.

Als broedgelegenheid geven ze de voorkeur aan boomholtes in de eucalyptusbomen. Het komt voor dat de Pennant rosella's ook andere broedgelegenheden benutten zoals door de mens aangebrachte nestkasten en andere voorwerpen. De pop doet eerst inspectie. De balts gaat gepaard met opgetrokken schouders, het op en neer knikken van de kop en daarbij de staart gespreid heen en weer zwaaien. De vleugels hangen lichtelijk af en de veertjes op de borst en rug zijn redelijk opgezet. Het vrouwtje zal hierop reageren en laat zich door het mannetje voeren.

De grootte van het legsel ligt doorgaans tussen de 4 en 7 eitjes. Na de leg van het derde ei begint het popje met broeden en na zo'n 20 dagen komen de eerste jongen uit. Na een periode van ca 35 dagen zijn de jongen vliegvlug. Het  voeren van de jongen wordt in het begin uitsluitend  door het vrouwtje gedaan. Wel komt de man op het nest om het popje te voeren, maar na een tijdje asisteert de man bij het voeren van de jongen. Na het uitvliegen blijven de jongen nog gedurende 7 weken bij de ouders. Daarna gaan ze weg van de ouders en houden ze zich in kleinere groepjes met jongen uit andere nesten.

  • Huisvesting:

Voor de huisvesting van de Pennant rosella hebben we met een aantal gegevens te maken dat belangrijk zijn voor de criteria waaraan de huisvesting moet voldoen.

Ten eersten zijn het grote vogels die in het wild gewend zijn hun vleugels flink uit te slaan en deze veel te gebruiken.

Ten tweede zijn het vogels die zich tegenover soortgenoten, in de ruimste zin des woords, agressief kunnen opstellen.

Ten derde zijn het vogels die in de natuur de vochtiger streken bewonen en tot op grotere hoogten voorkomen  en derhalve lagere temperaturen gwend zijn.

Dit geeft aan dat ze een ruime vlucht moeten hebben met een nachthok. Het zijn geharde vogels die een beetje kou wel aankunnen. Gezien hun agressiviteit is het aanbevolen om dubbel gaas te gebruiken. De lengte moet minimaal 2 meter zijn met een breedte bij voorkeur van 1 meter en een hoogte die volstaat van 2 meter. De vogels dulden geen andere soortgenoten in hun volière waardoor ze paargewijs gehouden moeten worden. Men mag zeker een schommel aanbrengen en op de bodem een stuk vermolmd hout plaatsen, dit voorkomt verveling.

  • Kweek:

Wanneer men begint te kweken met Pennant rosella's moeten we ervoor zorgen dat ze goed geacclimatiseerd en ontwormd zijn als we ze in de volière gaan plaatsen.

Agressiviteit ten opzichte van soortgenoten is bekend, maar de mannen kunnen ook gewelddadig optreden tegenover hun popje. Liefhebbers zullen uit ervaring kunnen meespreken dat op een morgen de man de pop heeft afgemaakt. De pop is dan meestal te vinden op de volièrebodem met afgerukte bovensnavel en beschadigingen aan de kop. Observatie is dus een "must" bij de Pennant rosella's.

Voor de Pennant rosella's hebben we al genoeg met een nestkast dat zo'n 60 cm hoog is met een bodemoppervlak can ca 23 x 23 cm en een invlieggat van 8 cm. Vermoedelijk hebben ze een voorkeur voor natuurstammen. Maar ook zelf getimmerde nestkasten worden veelvuldig toegepast. Aan de binnenkant van het nest is een ladder van gaas bevestigd zodat de vogels gemakkelijk in en uit kunnen klimmen. Op de bodem wordt nestmateriaal aangebracht, bestaand uit vermolmd hout of houtspaanders. Turfmolm of zaagsel is niet geschikt daar dit droog en stoffig wordt. Hierdoor kunnen de neusgaten van de jongen verstopt raken.

Meestal leggen ze tussen de vier en zes eitjes, maar meer zijn geen uitzondering. Het kan gebeuren dat de pop druk blijft met het maken van het nest en dat ze daarbij de eieren vernielt. Hier is niet meer aan te doen dan alleen een veel diepere nestgelegenheid te verstrekken. De oorzaak kan ook toegeschreven worden aan een te dikke laag nestmateriaal.

Vanaf het tweede of derde eitje zal de pop beginnen broeden. Is ze van plan om meer dan zes eitjes te leggen, dan kan ze ook later de broed aanvangen. het popje bebroed de eieren zelf en laat zich alleen door het mannetje op het nest voeren. Tweemaal per dag verlaat zij het nest om te ontlast en te eten. Na een broedduur van 19 tot 21 dagen komen de eerste eitjes uit en om de twee dagen de overige eitjes. Na het uitkomen van de jongen, die met hun lichte dons elkaar goed aankruipen, worden ze uitsluitend door de moeder gevoed. Op een leeftijd van ca een week assisteert de man met voeden.

In normale gevallen zullen de jongen volop groeien en zijn ze vliegvlug op een leeftijd van ca 35 dagen. Bij het uitvliegen van de jongen kan het nogal behoorlijk aan toe gaan. de jongen klappen dan met een snelheid tegen de voorkant van het gaas en kunnen zich dan inwendig verwonden.

De ouders zullen de jongen nog zo'n drie weken voeren en daarna kunnen we ze als zelfstandig beschouwen. Doorgaans zal het geen probleem zijn de jongen langer bij de ouders te laten, maar in geval dat ze een tweede ronde zouden willen doen dan is het toch verstandig de jongen er op die leeftijd uit te vangen.

  • Na de kweek:

Wanneer de jonge vogels van een ring voorzien zijn, is het gemakkelijker om ze uit elkaar te houden. Het geslachtsverschil is door een ervaren kweker redelijk goed te zien. Vaak zijn de jonge mannen al wat forser en hebben de popjes een fijner kopje en een kleinere snavel. In het begin moeten we ze wel goed in de gaten houden, ze moeten goed eten.

In september zullen de vogels de jeugdrui ondergaan om begin oktober geheel doorgeruid te zijn. De vogels verplaatsen tijdens de rui is niet zo goed. Wanneer men de vogels toch moet verplaatsen tijdens de rui moeten we dit zo voorzichtig mogelijk doen. Alleen vogels die conditioneel perfect in orde zijn kan men verkopen en het is raadzaam om een paar kilo voer waaraan ze gewend zijn, mee te geven.

  • Mutaties: 

In europ zijn volgende mutaties opgetreden:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   Nuttige info:

  • aantal eitjes:   4 tot 6 eitjes
  • broeddagen:    19 à 21 dagen
  • uitvliegen:       na ongeveer 35 dagen

           

 

  • Platycercus elegans elegans              =     Pennant rosella
  • Platycercus elegans nigrescens         =     Noordelijke Pennant rosella
  • Platycercus elegans melanoptera      =     Donkere Pennant rosella

 

 

 

 

 

 

 

 

  • Blauw
  • Zeegroen
  • Recessief opaline
  • Dominant bont
  • Recessief bont

 

  • Lutino
  • Geel
  • Pastel
  • Cinnamon
  • Fallow